Sprookjes, kastelen en kinderen

‘Er was eens….’

Zo beginnen alle sprookjes en ze brengen ons met die woorden in een andere wereld. Ook Héman neemt hij ons mee naar een andere wereld, hij vertelt daarbij met beelden.

Hoewel er een verschil bestaat tussen volks- en cultuursprookjes is een algemeen kenmerk van sprookjes dat de verteller uitgaat van een aantal vaste elementen zoals bijvoorbeeld de boze stiefmoeder of de betoverde prins, een gevaarvolle opdracht of een sprekend dier. Daarnaast is er een weinig verrassend stramien van een held die met behulp van vrienden veel problemen overwint en dan trouwt met de beeldschone prinses. Wetenschappers herkennen in sprookjes ook wel de overblijfselen van het premoderne leven, verwijzingen naar hongernood, kannibalisme, verkrachting, incest enzovoort. Volkssprookjes, oeroude verhalen, werden verzameld door Perrault in Frankrijk en de gebroeders Grimm in Duitsland. Cultuursprookjes waren bedacht en de grote bedenker van cultuursprookjes is de Deen Hans Christian Andersen (1805-1875). Hij fantaseerde er rond de 150. Jaarlijks publiceerde hij met kerstmis een bundeltje. Héman beeldde ongeveer evenveel volks- als cultuursprookjes uit.

Zo komen we van Andersen in keramiek reliëfs in keramiek tegen van de Chinese Nachtegaal, Duimelijntje, de Rode Schoentjes en het Eendje (afgebeeld met de auteur Andersen). De werken zijn in ongekleurde chamotte en de meesten meten zijn even groot, behalve het kleinere Denneboompje op Zolder,ook bekend als De Sparrenboom dat half zo groot is als de andere.

De Tondeldoos is weer gepolychromeerd en geglazuurd. Dochter Jorica maakte er een gedicht bij ter gelegenheid van de Raamkunst 2000-expositie:

De tondeldoos 

Diep in het woud
bewaakt de heks het verborgen goud
verhalen van vuur,
in middernachtelijk helle-uur.

In duistere krochten,
en zwarte bochten
komt uiteindelijk het verhaal aan het licht:
goede afloop reeds in zicht.

Ieder weet waarover het gaat:
heks en soldaat,
de overwinning van goed op kwaad.

Heel anders is de uitbeelding van de Sprookjes van Grimm in het werk dat Héman maakte voor de Lahrhofschool in Sittard. Het is een zesdelig reliëf met evenzoveel sprookjes: de Bremer stadsmuzikanten, Roodkapje, Sneeuwwitje, Hans en de bonenstengel, Kleinduimpje en de Gelaarsde Kat. Al die delen zijn als afzonderlijke modulen uitgevoerd in gepolychromeerd en geglazuurd keramiek en daarna samengevoegd. Qua compositie doet het geheel denken aan andere werken die vervaardigd werden voor scholen in Sittard: Ontwikkeling van het Onderwijs en Kinderspelen.

Voorts bestaan er reliëfs van Tafeltje dekjeKnuppel uit de zak en Hans (Jaap) en de bonenstengel, maar ook is ergens sprake van niet meer te traceren schilderijen van Roodkapje, een verhaal dat ook bij Perrault voor komt, en een van Kleinduimpje. Van de laatste twee zijn geen afbeeldingen bekend.

Naast een reliëf van Hoffmanns sprookje een reliëf de Notenkraker (en nog een ander met de Notenkraker als onderwerp) beeldt Héman De Gelaarsde Kat (die bij Grimm en Perrault voorkomt) zowel in een reliëf, als op een aquarel en op een schilderij uit.

Chinese Sprookjes komen voor op een driedimensionaal drieluikje en hij schilderde ze ook.

Ook sprookjesachtige omgevingen konden onderwerp voor een werk worden. Voorbeelden daarvan zijn een Kaboutergrot en een Boomstronk, beide in ongekleurde chamotte, steeds met een sprookjesachtig decor van boomstronken en planten. Een Droomkasteel voor de kleuterschool in Bergschenhoek is verkocht en verdwenen.

Ook hier weer zien we werk in opdracht en vrij werk (vaak als geschenk voor familieleden en vrienden) door elkaar.

Kerst- en paasdecoraties

Een aparte categorie vormen de jaarlijkse kerst- en paasdecoraties, veel daarvan werd ‘voor de aardigheid’ gemaakt en cadeau gedaan aan de gezinsleden. Het zijn reliëfs van het  kerstgebeuren, paashazen, -hanen en -decoraties, sinterklaas-surprises en tafelstukken voor huiselijk gebruik:

Kastelen voor zichzelf

In het huis aan de Provenierssingel bevinden zich nog twee door hem ‘voor de aardigheid’ vervaardigde miniatuurkastelen, een grote en een kleinere. Het zijn wonderlijke, hoofdzakelijk in keramiek uitgevoerde objecten die alle bezoekers van het woonhuis zich herinneren. De verticaal gerichte kastelen op een draaischijf met een volledig uitgewerkt interieur dat van alle kanten zichtbaar is door de afsluitbare openingen in de buitenwanden blijven een attractie voor vrienden en bekenden. Zo zijn keukens, een balzaal, een bibliotheek, slaapkamers, eetzalen, een theater enzovoort te onderscheiden. Een aantal vertrekken is van minuscule verlichting voorzien. Het exterieur kent beweegbare ophaalbruggen. Het zijn fantasiekastelen, maar Héman heeft zich zeker laten inspireren door het in de negentiende eeuw door Eugène Viollet-le-Duc gerestaureerde kasteel Pierrefonds in Picardië. Hij bezocht het tijdens zijn middelbare schooltijd in Chauny meerdere malen. Eerder was daar ook Ludwig II van Beieren geweest en die was zo onder de indruk geraakt dat hij, terug in Beieren, drie gloednieuwe kastelen bouwde waaronder het bekende Neuschwanstein. Het wordt het voorbeeld van hoe de twintigste-eeuwse mens zich een kasteel voorstelt: liggend op een rots met een woud van torens. Met zijn donkere daken en lichte muren is het een sprookjeskasteel (Disney’s Doornroosjes-kasteel!). Die kastelen die Héman in zijn jeugd en latere reizen bezocht, zijn een bekend fenomeen in de cultuurgeschiedenis van (West-)Europa. Oorspronkelijk bedoeld voor de oorlog, werden ze later in de 19e eeuw gebouwd door de Europese adel onder invloed van de romantiek.

Kasteel (groot)
Groot kasteel

Minder gedetailleerd is het kasteel dat Héman in de jaren ’80 maakt voor kleinzoon Bjorn Hack. De als speelgoed bedoelde onderdelen kunnen samengevoegd worden tot een 'speelgoed'-kasteel.

Literaire inspiraties

Inspiratie in de wereldliteratuur vindt Héman in Shakespeare voor zijn gepolychromeerde en geglazuurde reliëf Midzomernachtsdroom uit 1972. In een scène in het bos zien we de elf Puck die met het magische sap van een bloem een ander verliefd kan maken op het eerste levende wezen dat hij ziet, wanneer hij wakker wordt. Te midden van bloemen met gezichten, vogels, vlinders, verborgen schatten in een boomstronk en natuurlijk kastanjebomen met hun kaarsen zweeft Puck.

En in de Erlkönig, in roodbakkende chamotte uit 1991, beeldt Héman de beroemde beginzin 'Wer reitet so spät durch Nacht und Wind?' van de ballade van Johann Wolfgang von Goethe uit. De vader die 's nachts te paard naar huis rijdt met in zijn armen zijn zoon die doodziek is en in zijn koortsdromen de elfenkoning, die hem probeert mee te lokken, ziet. Als de vader en het kind op hun bestemming komen, blijkt de jongen gestorven te zijn. Hij is voor de elfenkoning, symbool van de dood, bezweken.

Verantwoording

Voor Sprookjes, kastelen en kinderen is gebruik gemaakt van Gérard Héman, de verhalenverteller (2017), pp. 174-183; Pieter Steinz, Made in Europe, de kunst die ons continent bindt (2014), pp 24-2, 319-321