Vrienden en opdrachtgevers

Jan Nieuwenhuis

De eerste die in Héman de kunstenaar herkent, is de journalist Jan Nieuwenhuis (1896-1978). Hij was vanaf 1920 redacteur Letteren en Kunst van De Maasbode, na de oorlog werd hij Hoofd Voorlichting en Publiciteit van de gemeente Rotterdam. Nieuwenhuis beschrijft in De Maasbode uitgebreid zijn bezoek aan de volgens hem veelbelovende kunstenaar in diens ouderlijk huis in Schiebroek. Het is, na vijf jaar, een hernieuwde kennismaking. Een vergelijkbaar, maar uitgebreider, verhaal over die ontmoeting schrijft hij later in Het Katholiek Bouwblad, waarin hij tevens meldt dat het nog niet tot een kerkelijke opdracht is gekomen. Zelf kocht hij in die periode ook een gepolychromeerde madonna. Ook later komt Nieuwenhuis vaak langs op de Provenierssingel en brengt in de vakanties zijn zoon Willebrord mee. Vanaf zijn elfde jaar is die getuige van alle nieuwe Héman-werken. Het schilderij De gelukzalige kelner waar Maria met Jezus als kleuter in een Hollandse theetuin een glaasje limonade drinkt, is ook in het bezit van de familie Nieuwenhuis. Het toont een paar typische Héman-aardigheden: engeltjes bij een kauwgomballenautomaat en, op het rechterpaneel in een doolhof. Nieuwenhuis heeft regelmatig werk gerecenseerd en hij opent in 1949 de grote solo-expositie in Utrecht met een bijzonder positief verhaal over het tentoongestelde.

Andere ontdekkers en bewonderaars van het eerste uur die allemaal ook vrienden worden, zijn nog: pastoor Hugo van der Heijden, Jan Tillema en Jaap van Waning.

Hugo van der Heijden

Portret Van der Heijden
foto: Gerrit Burg, Rotterdam.

Hugo van der Heijden (1906-1980) is een telg uit de bekende kruideniersfamilie van Bas van der Heijden. Gérard leert deze Rotterdammer van geboorte kennen als jong kapelaan in Schiedam en ze worden vrienden. Hij is ook degene die Hémans verloofde vóór haar huwelijk, in de geheimen van het katholicisme inwijdt. Emmy van der Loos was hervormd en in de veertiger jaren van de 20e eeuw gold ‘twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen’. Emmy gaat in de leer bij hem en ze treft het met pastoor Van der Heijden die er weliswaar een in kerkelijk opzicht orthodoxe zienswijze op na houdt, maar overigens een hartelijk, eerlijk en weinig bekrompen man is. Hij trouwt het stel in 1945. In het verarmde Nederland van de naoorlogse distributieperiode toen er ‘niets’ was, kwam hij met allerlei textiel aan. Van de Heijden wordt een huisvriend – hij liet het huis daveren met zijn gelach! – en een belangrijk opdrachtgever. ‘Zijn’ kerk, de Willibrorduskerk in Bergschenhoek, in de tegenwoordige gemeente Lansingerland, wordt in de loop van der jaren zestig en zeventig een waar ‘Hémanmuseum’. Tussen 1965 en 1970 heeft hij het gehele kerkinterieur laten verfraaien. Alle houten beelden worden verwijderd, omdat de houtworm welig tierde. Hij vraagt Héman het kerkinterieur te vernieuwen. In de kerk bevindt zich een imposant Maria-altaar en een aan St. Jozef gewijd altaar, nieuwe kruiswegstaties, een Heilig Hartbeeld en een ruiterbeeld in reliëf van de parochiepatroon St. Willibrord. De voltooiing van het interieur, waarvan de afzonderlijke werken in de catalogus voor komen, is een jarenlange arbeid. Héman was geen portrettist, maar het schilderij van Hugo van der Heijden is een van de weinige uitzonderingen.

Jan Tillema

Jan Tillema (1904-1999) herinnert zich later niet meer precies hoe hij Héman leerde kennen. Volgens Hémans vrouw was het ‘door het werk’ maar evenmin als Tillema weet zij nog wanneer. Hij heeft, zoals onder andere in de kwestie-Zadkine blijkt, heel specifieke opvattingen over kunst. De Tillema’s komen een tijdlang zaterdagmiddag's thee drinken op de singel en men ontmoet elkaar ook wel op muziekavondjes bij een bevriende familie. Ook leert Héman Tillema’s dochter Maria aquarelleren en neemt haar mee op de scooter naar Overschie. Hij maakt een schilderijtje voor haar toen ze ziek was. Tillema was van 1946  tot 1969 directeur Gemeentewerken Rotterdam en daardoor in het Rotterdam van de wederopbouw een belangrijk man. Naast de aandacht voor de haven (herstel van de Duitse vernielingen van 1944, ontwikkeling van de Botlek en de Europoort was Tillema ook nauw betrokken bij de ontwikkeling van de luchthaven Zestienhoven en de Rotterdamse metro. In 1953 kreeg hij vanwege zijn verdiensten voor de gemeente de eretitel ‘hoofddirecteur’ van Gemeentewerken en in 2000 werd een kade aan de Rijnhaven naar hem genoemd. Voor het jonge gezin Héman zorgt hij voor een woonvergunning en ook een keer voor het stilleggen van de tram op de singel toen er een boom bezorgd werd. Over Héman schreef hij een artikel in Katholiek Bouwblad. Het is een uitgebreid maar meer beschouwend, persoonlijk en filosofisch stuk. Naar aanleiding van het olieverfschilderij De geheimen van de Rozenkrans en een drieluik waar ook Nieuwenhuis op gewezen had, De hemel van de goede kellner(sic) schrijft Tillema een zeer uitgebreide bespreking van Hémans werk waarbij hij ook nog een aantal sculpturen noemt. De kunstenaar is ‘kennelijk door de bovennatuurlijke evenementen gegrepen’ en het drieluik is ‘zó poëtisch van gedachte en bovendien zó voortreffelijk van uitbeelding, zó waarlijk picturaal van compositie en met zulk een meesterschap, zuiver schilderkunstig beschouwd, uitgewerkt dat reeds alleen hiermede Héman zich de reputatie van een onzer zeer belangrijke schilders verworven mag hebben.’ Na de bespreking van de beelden van een St. Ignatiuseen St. Clemens Maria Hofbauer, enkele madonna’s en een crucifix eindigt hij met de verwachting ‘voor zeer belangrijk werk in de toekomst’. Ruim een jaar later kan hij daarop terug komen in een weer uiterst lovende bespreking van De Meikoningin, zoals hij Hémans madonna Maria Overwinning voor de kathedraal in Utrecht  noemt. De solo-expositie in het Stedelijk Museum van Schiedam, waar onder andere een Orpheus te Paard en een Pierrot te zien waren, wordt in 1951 door Tillema met een causerie geopend. Er blijft steeds aandacht en vriendschap en ook na Gérards overlijden onderhoudt hij nog contact met Emmy.

Jaap van Waning

Emmy Héman en Jaap van Waning bij de onthulling van het Rotterdamse Trekpaard, 27 oktober 1992.

Gérard en Jaap van Waning (1915-2000) kenden elkaar al van de MTS, ze raakten bevriend en bleven dat. Jaap die na die schoolperiode directeur bij het familiebedrijf ‘Koninklijke Aannemingsmaatschappij Van Waning’ wordt, herinnert zich later nog dat ze een leuke tijd hadden. Hij vertelt dat Héman omdat die een hoed draagt, Buck Jones genoemd werd, naar een in die dagen bekende filmcowboy. Jaap koopt al vroeg werk, zoals op een tentoonstelling in Delft een van de eerste madonna’s  en ook een triptiek met polderlandschap en kleine bloemetjes. In later jaren zorgt hij voor kleine, maar ook grote opdrachten zoals Vogel met slang in Utrecht. Ze  gaan ook wel samen op stap om werk van de een of  van de ander te bekijken, en lunchen of dineren dan heel chique in Utrecht. Gérard was vaak angstig omdat Jaaps auto soms wel 200km reed. Dat kon toen nog. Ze hebben altijd veel plezier gehad. Jaap houdt van gezelligheid en drinkt graag een glas goede wijn, maar blijft ondanks rijkdom heel eenvoudig. Ze halen samen graag schoolherinneringen op en zoeken in probleemsituaties elkaars steun. Ze blijven vrienden tot de dood. Bij de onthulling in 1992 van het bronzen Rotterdamse Trekpaard op Feijenoord, dat Gérard in opdracht van Van Wanings bedrijf gemaakt had, is Jaap nog aanwezig, maar Gérard zelf niet meer. Zoals vele anderen spreekt hij over diens bescheidenheid en het feit dat hij geen reclame wilde of kon maken voor zichzelf.

Bertwin Bootsma

Na zijn deelname aan De Baanbreker-groep, die aan het eind van de bezetting in feite een tamelijk los geheel vormde, heeft Héman geen deel meer uitgemaakt van een kunstenaarsgezelschap. Ook echte kunstenaarsvrienden heeft hij steeds minder. Zijn vrienden zijn vaak opdrachtgevers en zijn opdrachtgevers zijn vaak vrienden.

Dat geldt, naast de eerder genoemden, voor de franciscaner pater Bertwin Bootsma. Die was als jong kapelaan naar de inmiddels gesloopte Bosjeskerk gekomen. Hij wordt vriend van de familie en doopt twee kinderen. In een bepaalde periode komt hij zeker één tot twee keer per week, hij maakte alle gebeurtenissen mee. Hij heeft voor veel opdrachten gezorgd en koopt zelf ook veel. Hij toert vaak in de auto mee als er iets geplaatst moet worden. Met zijn zeer scherpe geest is hij ook een echt franciscaanse dierenliefhebber met zijn enorme sint-bernardshond.

Gerard Slee

Gerard Slee is één van de oudste vrienden in Rotterdam en woont tegenover hem op het Proveniersplein. Ze kennen elkaar van de academie, hoewel ze niet in dezelfde klas zaten. Slee is van 1950 tot 1976 directeur van de Academie St. Joost in Breda. Hij recenseert een aantal maal Hémans werk, onder andere het decoratieprogramma aan het Robaver-gebouw en een Madonnabeeld voor de kerk die op een steenworp afstand van hun beider huizen staat. Hij wijst op de twee polen wat betreft het uitbeelden van Maria in de kerkgeschiedenis: de grootsheid van Maria en haar liefelijkheid. En wat hem betreft heeft Héman een schone harmonie van beide opvattingen gevonden. Het is, ondanks Slee’s aanmerkingen op de volgens hem minder geslaagde Christusfiguur,  een ‘schone aanwinst voor de kerkelijke kunst in Rotterdam’.

Overige vrienden

Verder blijven Héman en zijn vrouw contact houden met de architect Antoon van Stokkum (1912-2007). Ze waren indertijd samen lid van de katholieke kunstenaarsvereniging De Schalmei geweest. Nadat die vereniging uit elkaar gevallen was, blijft het contact met Antoon, die met zijn vrouw in Nijmegen gaat wonen, een sociaal zeer bewogen paar.

Uit Delfshaven komt Nol (Laurens) van Wijhe, een pottenbakker, een vrolijke jongen en een prima ambachtsman. Hij bouwt voor zichzelf en later voor Héman een enorme elektrische oven. Met zijn grote kennis van glazuren ontwikkelt hij een eigen donkergoudkleurig glazuur, dat op een speciale manier verkregen wordt. Dit geheim, een zeer nauwkeurig procedé, vertelt hij alleen aan Héman, die het voor zichzelf houdt. Nol verkoopt aan winkels vooral zijn gouden hertjes op heel ranke pootjes, die erg geliefd waren. Bij zijn wekelijkse koffie-bezoekjes wordt er veel gelachen. Hij overlijdt jong, nog geen 60 jaar.

In het café De Hof van Cyrene in Overschie waar het echtpaar Jo en Annie Augusteijn-Iburg enige tijd de scepter zwaait, komt Héman graag. Het is het vertrek- en eindpunt van vele zwerftochten in de polder. Het landschap met Schie, Veerhuis en kerktoren van Overschie komt regelmatig terug op zijn schilderijen en zelfs in een kerststal.

Verantwoording

Voor 'Vrienden en Opdrachtgevers' is gebruik gemaakt van: E. Héman-van der Loos, Herinneringen;  E. Bleij en M. Halbertsma, Beelden tegen de puin.; F. Hack-Héman,‘Een speelgoedpaardje met vleugels’ en ‘Een kaarsje bij de madonna’ in: Rombouts, J.P.J., (red) Gérard Héman-Provenierssingel-Rotterdam; C.H. Schwagermann, Stedelijk Museum Schiedam-Verslag over 1951;