De Madonna

De driedimensionale, sculpturale uitbeelding van een zittende of staande Maria, meestal met Kind, noemen we Madonna.

Maria kende binnen het christendom een speciale plaats. Ze was immers de moeder van de stichter. Het is een gecompliceerd verhaal hoe deze Maria werd verbeeld en hoe dat beeld zich ontwikkeld heeft vanaf het moment dat het christendom zich over Europa verspreidde. Op het moment dat de eerste scheuren in het westerse christendom zichtbaar werden, waren er al veel verschillen in hoe men zich Maria voorstelde en misschien beter: hoe men zich haar wenste voor te stellen. Een indeling in zittende madonna’s die tot het romaans en staande die tot de gotiek behoren is te verdedigen, maar toch wat grof.

Het is niet duidelijk of de middeleeuwse madonna in West-Europa is afgeleid van de Maria´s in de timpanen van gotische kathedralen.  Alleen de zittende madonna´s lijken vanuit het oosten, via Zuid-Frankrijk, verspreid te zijn naar de timpanen als onderdeel van een groter geheel (‘Kroning’ bijvoorbeeld), maar ook als zelfstandige cultusbeelden, zoals de ND de Roche-Charles uit de 12eeeuw. De staande madonna´s ontwikkelden zich waarschijnlijk uit de statues-colonnes van de kathedralen en/of uit de trumeau-beelden. Statue-colonne is een overslanke gebeeldhouwde figuur in vroeggotische kerkportalen; trumeaubeeld is een beeld aan de middenpilaar van een brede (kerk) deur.

Onduidelijk is of de houten uit de stenen zittende of de zittende stenen uit de houten ontstaan zijn. Het lijkt een parallelle ontwikkeling met wederzijdse beïnvloeding.

Er zijn te veel chronologische en geografische verschillen om van een lineaire ontwikkeling in de uitbeelding van Maria te kunnen spreken tijdens de middeleeuwen. In de vroegchristelijke tijd wanneer de christelijke kunst zich langzaam uit de hellenistische ontwikkelt, is er nog niet veel belangstelling voor Maria. Dat verandert na het Concilie van Efese (431), waar Maria tot Theotokos, Moeder van God, uitgeroepen wordt. Zij wordt daarna dan ook als zodanig, als een godin, afgebeeld. Het is echter ook het begin van divergerende ontwikkelingen waarbij de madonna zich verschillend ontwikkeld heeft in het oosten (byzantijnse rijk) en het westen van de toenmalige christenheid.

In het oosten van het christendom in de middeleeuwen zien we, ondanks enkele verschillen, een grote eenheid van stijl. De madonna’s ontwikkelen zich daar volgens vaste voorbeelden binnen een schematische typologie. De nadruk ligt er op tweedimensionale afbeeldingen: op iconen en in mozaïeken. Na het einde van het Oost-Romeinse Rijk vindt er daar geen ontwikkeling meer plaats en herhaalt men zich min of meer (zie Komnenosmozaiek).

In het westen daarentegen is de tijd tussen 500 en 1500 een periode met veel meer variëteit en wisselingen. Rond 800 stichtte Karel de Grote er een groot rijk met een min of meer homogene, christelijke, cultuur. Maar na de ineenstorting ervan ontstonden er in de kunst, en daarmee ook in de uitbeelding van Maria, regionale verschillen met tweedimensionale en velerlei driedimensionale Maria-afbeeldingen. Vanaf de 9eeeuw tot omstreeks 1200 zien we meestal houten Sedes Sapientiae in Auvergne, zoals de Notre Dame de Roche-Charles-La Meyrand (afb.) en stenen reliëfs in vooral timpanen, statues colonnes, trumeaubeelden en staande cultusbeelden, zowel in het interieur en als aan het exterieur. De groeiende Mariadevotie op de helft van de 12eeeuw veroorzaakt een nog veel grotere productie en verspreiding van Maria-afbeeldingen. Daarbij ontwikkelen de staande madonna´s zich binnen enkele jaren uit de statues-colonnes van de kathedralen en/of uit de trumeaubeelden. Zie bijvoorbeeld de westgevels van St.-Denis en Chartres en daarna aan het St Anneportaal van de Notre Dame te Parijs (afb.)Later verschijnen ook vrijstaande madonna’s in de interieurs van kerken, kastelen en woningen. De zittende madonna´s hebben zich vanuit het oosten via Zuid-Frankrijk verspreid. Ze bevinden zich niet alleen op de timpanen, als onderdeel van een groter geheel, ‘Kroning’ bijvoorbeeld(afb.), maar ook als zelfstandige cultusbeelden. De klassieke vorm van de staande madonna ontstaat als ‘Koningin des Hemels’, in Duitsland realistischer en beweeglijker dan in Frankrijk. In de vijftiende eeuw zijn de Maria’s verheven en menselijk, verwant aan de gelijktijdige beelden uit het Quattrocento. Maar later worden ze nog menselijker zonder hun religieuze waarde te verliezen.

Door de afwijzende houding van verschillende reformatoren van de Mariaverering in Noord-Europa komt er daar een einde aan de vervaardiging van madonna’s. Maar daar waar de contrareformatie zegeviert, bloeit die juist op in de barok. Na het Concilie van Trente (1545-1563), komt de katholieke kerk in de tweede helft van de 16eeeuw versterkt uit de godsdienstoorlogen. De madonna behoudt haar verheven plaats, zoals die al op het Concilie van Efese bepaald was. Haar positie wordt zelfs verstevigd. We zien Maria als devotiestuk, vaak niet meer alleen met het kind, maar binnen een tafereel met een grotere artistieke vrijheid en variatie in typen. Er is in deze ‘internationale’ stijl uitbundige, soms extatische beweeglijkheid waarbij de gewaden in wilde vaart vliegen. De Spaanse barok kent veel beelden in hout, zwierig en  met charme, waar het religieuze karakter van naar de achtergrond verdwijnt. Ook in Zuid-Duitsland en Oostenrijk zien we een rijke bloei aan madonna’s met zwierige vormen, krullende beweeglijkheid en drukke plooien tot en met de periode van het Rococo.

Verantwoording

Gérard Héman, de verhalenverteller (2017). En daarbij in het bijzonder: I.H. Forsyth, The Throne of Wisdom, wood sculptures of the madonna in romanesque France (1972); F. Joubert, La sculpture gothique en France, XIIe-XIIIe sièrles (2008);  E.H. Korevaar-Hesseling, De Madonna in de beeldende kunst (ca 1950); J.P.J. Rombouts, De middeleeuwse madonna in Frankrijk (2010) en Madonna's van Héman (2010); Schiller, G., Ikonographie der christlichen Kunst, Band 4,2 Maria (1980).